Straat is vernoemd in 1970 naar Hendrik Stevin

De waterbouwkundige Hendrik* Stevin (1613 – 30 september 1669), was de zoon van de bekende wiskundige en ingenieur Simon Stevin. Hendrik heeft er na de dood van zijn vader voor gezorgd dat een aantal geschriften van zijn vader alsnog werd gepubliceerd.

Hendrik Stevin was de zoon van Simon Stevin en Catharina Craij. Simon was kwartiermeester in het Staatse leger, adviseur en intimus van prins Maurits, wiskundige, uitvinder (hij ontwikkelde een zeilwagen en wierp al ideeën op over grootschalige inpolderingen) en vestingbouwer. Het echtpaar trouwde in 1616 en had op dat moment al drie kinderen (Frederik, geboren 1612, overleden 1639), Hendrik (geboren 1613) en Susanne (geboren 29 april 1615). De jongste dochter, Levina, werd waarschijnlijk in 1616 geboren. Vader Simon Stevin, Bruggenaar van geboorte, overleed in 1620 in Den Haag.
Zoon Hendrik volgde eerst een militaire loopbaan tot hij door een opgelopen wond daarvoor ongeschikt was geworden. Hij woonde in 1640 in Den Haag en was toen kwartiermeester van het regiment van Brederode. Hij trouwde op 20 juni 1640 in de Alphense kerk met de ongeveer veertigjarige Johanna van Leeuwen, weduwe van Gerrit Beunen van Wender. Johanna was ambachtsvrouwe van Alphen. Zij had de ambachtsheerlijkheid verkregen van haar broer Claes die in 1624 ongehuwd te Alphen was overleden. De ambachtsheerlijkheid was toen al enkele generaties in bezit van de familie Van Leeuwen. De familie Van Leeuwen was afkomstig uit Leiden en bewoonde in Alphen het Huis Te Leeuwen.
Door zijn huwelijk mocht Hendrik zich vanaf 1640 ambachtsheer van Alphen noemen. Hij was toen al ambachtsheer van het dorpje Schrevelsgerecht dat ten prooi viel aan het uitbreidende Haarlemmermeer.
Hendrik bewoonde met zijn echtgenote eerst het Hof van Alphen, maar in 1648 verhuisden zij naar het buitentje Huis Arckom, staande op de plaats waar nu de oprit van de Koningin Julianabrug ligt. In 1655 overleed Johanna van Leeuwen. Hendrik bleef kinderloos achter. Niet helemaal alleen, want hij had een exotische knecht die voor die tijd een heel zonderlinge rol speelde: deze donkere Molukker van Ambon droeg de naam Joost Jacobsen, “zijnde een zwarte, de dienstknegt van Hendrik Stevin, Heere van Alphen, welcke kneght verschijden reysen (=keren) in onze publieke kercke heeft voorgesongen ende een seer schriftmatige belijdenisse zijns Geloofs alhier heeft gedaan”. De publieke opinie mocht positief over dit fenomeen oordelen, Joost bleef na de dood van zijn heer in belabberde omstandigheden achter, in 1679 moest hij door de diaconie nog ondersteund worden.
Evenals zijn vader was Hendrik geïnteresseerd in wiskunde. In 1649 gaf hij in “Materiae Politicae” postuum werken van zijn vader Simon uit. In 1667 verscheen van zijn hand “Wisconstich Filosofisch Bedrijf”. Ook die publicatie bevatte artikelen van zijn vader, maar bovendien een verhandeling van Hendrik zelf over de droogmaking van de Zuiderzee en het verbinden van Amsterdam met de Noordzee door middel van een kanaal. Het boek was te koop bij zijn buurman, de chirurgijn Dirck van der Snoeck.
De tijdgenoten oordeelden over Hendrik Stevin dat hij een moeilijk mens was, lastig, eigenzinnig; een ander noemt hem zelfs onaangenaam, humeurig, twistziek. In Alphen was hij gerechtigd om de schoolmeester en de koster te benoemen, echter niet de voorzanger, dat kwam de kerkenraad toe. In andere plaatsen vielen die alle drie onder het patronaatsrecht en hier was de schoolmeester en de voorzanger één en dezelfde persoon. De voorzanger gedroeg zich in 1643 minstens zo lastig als de ambachtsheer en hij werd gestimuleerd door de ambachtsheer die op een conflict uit was om het recht tot benoeming van de voorzanger naar zich toe te halen. Stevin slaagde niet in zijn opzet.
Op een hoger niveau moest hij uiteindelijk ook mokkend bakzeil halen: de ambachten van Alphen en van Oudshoorn strekten zich uit over één kerkelijke gemeente met het kerkgebouw en de predikant te Alphen. Iedere benoeming moest in goede harmonie geschieden, maar ambachtsheer Stevin negeerde de ambachtsheer van Oudshoorn, de Amsterdamse koopman Cornelis de Vlaming, volkomen. Die zocht het hogerop bij de Staten van Holland en wist vrij spoedig gedaan te krijgen dat Oudshoorn een eigen kerkelijke gemeente kreeg (1662).
In 1668 verkocht Hendrik de ambachtsheerlijkheid Alphen en Rietveld aan Jacob van der Meer van Beerendrecht.
Op 5 september 1669 kocht de oud-ambachtsheer zich een notabel graf op het koor van de kerk van Alphen. Enkele weken later, 30 september 1669, overleed hij. Zijn moeder Catharina Craij, die inmiddels op 14 maart 1621 was hertrouwd met de Hazerswoudse baljuw Maurits de Viri, overleefde hem. Zij overleed op 5 januari 1672.
De nalatenschap van Hendrik werd in 1670 afgewikkeld. Van de twee boeken die hij had geschreven bleek toen nog een voorraad onverkocht. De Haagse boekhandelaar Van der Burgh bood de voorraad met de platen en octrooien in 1671 te koop aan.
Tot de revolutie van 1795 hing in de Alphense kerk nog het rouwbord van Hendrik Stevin, waarop het familiewapen stond afgebeeld: een perpetuum mobile in de vorm van een driehoek waar omheen zich door een ketting verbonden rolletjes bewegen. Het wapen komt elders voor als een driehoek omringd door een landmetersketting. Het wapendevies van Hendriks vader luidde: “Wonder er is geen wonder”.
(auteur: H.J. Habermehl, bron: streekarchief rijnlandsmidden)

*Hoewel de straatnaam in Harderwijk de naam “Hendric” gebruikt, geven meerdere bronnen aan dat deze Stevin toch “Hendrik” heette.

X